Dag op dag drie jaar geleden...

schreef ik de eerste woorden van mijn eerste boek. Verscholen, weg van iedereen.

De eerste zinnen

Mijn eerste boek schreef ik drie jaar geleden.

Schrijven begon voor mij niet met een boek. Het begon veel kleiner: met zinnen die ik ergens kwijt moest, gedachten die bleven hangen en verhalen die voorzichtig aan de deur klopten. Pas later durfde ik te geloven dat daar misschien ooit een boek uit kon groeien.

Exact drie jaar geleden schreef ik de eerste zin van mijn eerste boek. Toen wist bijna niemand dat. Zelfs onze reis naar Nice had een dekmantel: zogezegd een vakantie met mijn vrouw, in werkelijkheid mijn allereerste schrijfvakantie. Ik vertelde het amper aan iemand, vooral omdat ik twijfelde. Zou ik het kunnen? Zou ik het graag doen? Zou ik van een verhaal in mijn hoofd echt een boek kunnen maken? Schrijven deed ik eigenlijk al mijn hele leven: in mijn dagboek, in brieven aan mijn vrouw, in tweets, blogposts en LinkedIn-artikels. Ook verhalen vertellen met PowerPoint kende ik. Maar een tekst van meer dan 40.000 woorden schrijven die één geheel vormt en boeiend genoeg blijft tot de laatste pagina? Dat was iets helemaal anders.

In Nice schreef ik elke dag, of beter: typte ik, van negen tot twaalf en van één tot vijf. Soms langer, soms korter. Gelukkig heb ik een vrouw die zot genoeg is om met mij mee te reizen, ook al moest ze een groot deel van de dag alleen doorbrengen omdat haar man plots een droom had: een boek schrijven.

Na enkele dagen kon ik al een paar onzekerheden schrappen. Vanaf de eerste woorden op mijn klavier tot het moment waarop ik op save drukte en mijn laptop dichtklapte, vond ik het heerlijk. Het verhaal kwam verrassend vanzelf. De hoofdstukken volgden elkaar op en na twee weken lag er een document voor mij dat een boek kon worden.

Ondertussen zijn we drie jaar verder. Het boek bestaat. Het wordt gelezen. Het krijgt mooie reacties. Er is intussen een tweede boek en ik schrijf aan het derde. Drie jaar geleden had ik nooit durven denken dat dit eruit zou groeien. De onzekerheid is trouwens niet verdwenen. Waarom zou iemand mijn verzinsels willen lezen? Alleen houdt die vraag me niet meer tegen. Misschien net omdat ik het schrijven in de eerste plaats voor mezelf doe — omdat ik er oprecht gelukkig van word.

Dat jullie vandaag meelezen, maakt het alleen maar specialer.

Voor iedereen die me de voorbije drie jaar heeft gesteund, mijn boeken heeft gekocht, gelezen, besproken, aangeraden of gewoon even heeft laten weten dat de woorden iets deden: dank u. Echt.